Het eind van de nacht - Johan Klein Haneveld - online fantasyverhaal

VERHALEN: Het eind van de nacht – Johan Klein Haneveld

Het eind van de nacht

Johan Klein Haneveld

De boodschapper bereikte Gideon Mortalse op een nogal ongelukkig moment, precies terwijl hij met het zwaard in zijn rechterhand de arm van een duisterstrijder afhieuw. Tegelijkertijd liet hij de bijl in zijn linkerhand neerkomen op het tweede monsterlijke wezen dat hem belaagde. Het was niets dan slijmerig, rottend vlees onder gescheurde zwarte vodden, maar het had wel vervaarlijk scherpe klauwen.

Gideon voelde een plotselinge windvlaag op zijn wangen en keek omhoog. Een lange man met achter zijn hoofd een halo van wapperend, wit haar hield zich met snelle vleugelslagen op zijn plaats in de lucht. Zijn woorden galmden als trompetstoten. “Het woord heeft weer geklonken. Luister naar zijn nieuwste openbaring.”

Gideon vloekte. “Zie je soms niet dat ik het druk heb?” Hij zette zijn voet tegen de bovenste trede van de ladder die tegen de muur stond en duwde hem zo hard hij kon bij zich vandaan. De aan elkaar gebonden stukken hout vielen weg naar achteren en vervolgens opzij. Uit het duister klonken twee luide ploffen, vergezeld van het geluid van brekende botten. De aanvallers onderaan de muur slaakten echter geen enkele kreet. Gideon kon ze niet zien, maar waarschijnlijk maakten ze zich klaar om opnieuw naar boven te klimmen, ditmaal met meer.

“Het woord van boven kan niet wachten,” proclameerde de boodschapper. Zijn ivoorbleke gezicht was gladgeschuurd op de plek waar zijn ogen zich hadden moeten bevinden. Hij bezat alleen een mond, waar een geluid uit voortkwam dat huizen deed trillen.

“Het zal wel moeten,” mompelde Gideon. Er waren vaker boodschappers geweest, dezelfde mannen in lange gewaden, met vleugels van zwanenveren achter zich, hun stemmen donderend als lawines over een berghelling. Uit wat ze hem zeiden kon hij echter meestal geen wijs worden. Onzin over bloemen en de huur van een appartement. Namen die hij niet kende. Iets dat klonk als een bericht over een ander land dat van papier werd voorgelezen. Hij had belangrijkere dingen te doen dan aandacht schenken aan hun wartaal. In leven blijven bijvoorbeeld.

Een paar meter links van hem was alweer een nieuwe ladder tegen de muur gezet en hees een duisterstrijder zich op aan de buitenste plank. Het geeloranje licht van de vesting sneed zijn omtrek uit de zwarte achtergrond: een magere man met te lange ledematen en in het gezicht lege gaten op de plek van de ogen. Hij droeg een met punten bezette knuppel. Gideon wierp zijn zwaard. Het wapen tolde als een cirkelende vlam door de lucht en boorde zich in het voorhoofd van de aanvaller. Die viel uit het zicht, samen met het wapen. Nu had hij nog minder over om zich mee te verdedigen. Gideon keerde zich om. Rechts van hem klommen meer belegeraars omhoog, vasthoudend als mieren. Hij nam zijn bijl in zijn rechterhand en raapte als tweede wapen de knuppel op. Vervolgens rende hij op de duisterstrijders af. De eerste was al boven en nam een aanvalshouding aan. Gideon was echter sneller. De knuppel sloeg een kromme haak uit de weg, en tegelijkertijd drong zijn bijl luid krakend in het voorhoofd van het wezen binnen. Hij duwde het slappe lichaam op het pad van de tweede, die het niet zag en struikelde. Terwijl de duisterstrijder wanhopig zijn best deed overeind te blijven, haalde Gideon uit. Donkere, stinkende spetters kwamen in zijn gezicht en benamen hem de adem. In twee delen tuimelde de aanvaller terug in de zwarte diepte. Er klonk nog even gekrabbel van nagels, maar het verplaatste zich bij hem vandaan. Het gevaar was geweken.

Zwaar hijgend veegde Gideon zijn wapen af aan het kleed van de gevallen duisterstrijder. De boodschapper hing nog steeds schuin boven hem en zijn lippen bewogen. Hij bleek nog aan het praten te zijn. “… hebt dus nog 24 uur. Dan gaan de lichten uit. Ik herhaal: over een dag wordt de stroomtoevoer afgesloten. Je hebt dus nog…”

“De stroomtoevoer,” herhaalde Gideon geschokt. Hij draaide zich om en keek uit over zijn vesting. De laatste verlichte gebouwen van het dorp. Oude huizen van houten planken met platte daken, niet hoger dan twee verdiepingen. Versierde gevels, veranda’s, een stoffige straat met kuilen. En overal hingen gloeilampen aan kabels, zigzaggend tussen de gebouwen, gedrapeerd boven ramen en deuropeningen, zelfs in de steegjes, zodat er geen stukje schaduw overbleef. Het was het enige resterende licht in de wereld.

De nederzetting werd beschermd door een drie meter hoge barricade, opgetrokken uit oude meubels en stukken van de huizen die al door de duisternis waren opgeslokt. Waar het licht niet doordrong, was het donker, een bijna levend zwart, zoekend naar openingen om de vesting binnen te dringen. Tegelijkertijd leek het ondoordringbare plafond van de hemel steeds verder omlaag te komen, als een enorme hand die ook dit ene overgebleven kaarsje wilde uitdoven. Gideon zette zijn handen aan zijn mond, al was de boodschapper niet zo ver weg dat hij werkelijk moest schreeuwen. “Hoe bedoel je: de lichten gaan uit?”

De vliegende man draaide zijn gezicht naar hem toe, zelfs al kon hij hem niet zien. Zijn stem was luid, maar gevoelloos. “Je hebt nog 24 uur.”

Gideon huiverde. Als de lampen doofden, zou de eeuwige nacht de paar schamele woningen overspoelen. Hijzelf zou vervolgens door de duisterstrijders worden overmeesterd. Er was geen ontkomen aan. Hij wilde nog meer vragen, duidelijkheid verkrijgen, maar de boodschapper steeg weer op, zijn gezicht omhoog geheven. Even later verdween hij uit het bereik van het licht. Gideon bleef alleen achter. Op het sissen van de lampen na was het stil. Er was zelfs geen wind, geen enkel teken van leven, alleen de onveranderlijke, drukkende duisternis.

Met een zucht liet hij zich op de rand van het houten plateau zakken. Vervolgens sprong hij. Gideon landde op zijn hurken. Een felle pijn trok door zijn rechterbovenbeen. Zijn botten begonnen te slijten. Of hadden ze altijd al zo gevoeld? Hij kon zich geen tijd herinneren waarin zijn gewrichten ’s ochtends niet stijf waren geweest, of zijn knieën niet hadden gestoken als hij een poos in dezelfde houding had gezeten. Sloffend liep hij naar het huis in het midden van de cirkel, toevallig ook het grootste gebouw van het dorp en met de meeste lichten behangen. Hij stapte de veranda op en duwde de klapdeuren open. De gelagkamer was leeg. De ronde tafels waren aan de kant geschoven, een paar van de gammele stoelen lagen op hun kant en de bar was zo stoffig dat je er met je vinger op kon schrijven. Erachter hing een spiegel, al bijna net zo grijs. Als in een waas zag Gideon zijn gezicht erin weerkaatst: bleek, met starende lichtblauwe ogen, ingevallen wangen en een te grote neus boven een terugwijkende kin. Zijn haarlijn had zich bijna tot bovenop zijn schedel teruggetrokken, waar korte bruine krullen nog moedig standhielden. Was aan hem te zien dat hij slecht nieuws te horen had gekregen? Voor zover hij kon beoordelen had hij er altijd zo opgejaagd uitgezien sinds hij voor het eerst in dit dorp wakker was geworden. Hoe lang dat geleden was, kon hij niet zeggen. Hij hield zelfs niet meer bij hoe vaak hij met de duisterstrijders had gevochten en ze van de barricade had verjaagd. Ze kwamen toch elke keer weer terug.

Een brede houten trap leidde naar de tweede verdieping. Gideon sloeg de derde trede over. Die was bijna doorgerot. Er was een gang met een tapijt dat ooit rood was geweest. Aan het eind daarvan stond een deur open. Geel lamplicht scheen door de opening. Gideon slikte. Wat de boodschapper had verteld, ging echter ook de ander aan, dus liep hij naar voren. Toen hij een blik naar binnen wierp, keken twee lichte ogen hem aan vanaf het kussen. De man die er lag had zijn tweelingbroer kunnen zijn. Hij had dezelfde opvallende neus, dezelfde beginnende kaalheid, dezelfde scherp afgetekende jukbeenderen. Hij zag echter een stuk bleker en zijn haar was grauw als bij elkaar geveegde spinnenwebben. Gideon pakte een stoel vast bij de rugleuning en trok hem tot bij het hoofdeind van het bed. Hij ging voorovergebogen zitten met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn armen over elkaar. Zijn blik hield hij strak gericht op de houten vloer, waar zijn voetafdrukken scherp stonden afgetekend in het stof. Hij zuchtte.

“Wat zei hij?” vroeg de man op het bed hees. Hij had geraden wat er aan de hand moest zijn. Van hun tweeën was hij dan ook de slimste. Gideon vertelde het hem.

“Nog zo kort maar,” fluisterde de ander, toen hij was uitgesproken. Hij probeerde zich op te richten, maar moest zich halverwege weer laten vallen. Hij kreunde en sloot zijn ogen. Hij ging echter wel verder, zijn stem piepend als een roestend scharnier. “Ik dacht dat het langer zou duren. Dat het misschien wel helemaal niet nodig zou hoeven zijn. Maar kennelijk weet niemand daarboven dat hier nog leven bestaat. Ze hebben niet door dat wij er nog zijn en de strijd volhouden.”

“Ze moeten ons toch kunnen zien?” vroeg Gideon. “Al die lampen in het donker. Dat moet ze toch opvallen?”

Nauwelijks waarneembaar bewoog de man zijn hoofd heen en weer. “Je vergeet hoe groot de wereld is en hoe klein wij zijn. Van die afstand zijn wij niet zichtbaar, zelfs niet met al onze lichten op volle sterkte brandend.”

“Dus moeten we maar accepteren dat ze onze lampen doven, dat ze de duisterstrijders de overwinning gunnen? Dat ze ons laten doodgaan?”

“Dat heb ik niet gezegd,” zei de ander. “Er is een manier om hun aandacht te trekken, ze te laten zien dat wij wel degelijk nog bestaan. Het is echter niet heel makkelijk.”

Gideon voelde hoe zijn maag zich samentrok. Hij had al een idee wat zijn metgezel zou gaan zeggen en het zou inderdaad heel moeilijk zijn. Hij had het namelijk al eens geprobeerd, niet één keer, niet twee keer, maar talloze keren. Het was hem nooit gelukt. Elke keer was hij, zelfs als hij voorbij de duisterstrijders was gekomen, teruggejaagd naar het dorp, naar de kring van licht. Uiteindelijk had hij het daarom maar opgegeven, had hij zich beperkt tot het verdedigen van de muur en niet meer dan dat.

“Je moet de grote berg in het Noorden beklimmen.” De liggende man bevestigde zijn bange vermoeden. “Op de top bevinden zich twee bakens. Die moet je aansteken, allebei. Dan zul je de duisternis in dit hele land verjagen. Neem van me aan, dat zal ze niet ontgaan. Ze zullen de stroomtoevoer in stand moeten houden.”

“En dat binnen 24 uur,” besloot Gideon. “Anders heeft het geen zin meer.”

Hij duwde zichzelf overeind en liep de kamer uit. Vanuit de deuropening keek hij nog een keer om. Zijn metgezel leek te slapen. Kennelijk had hun gesprek, hoe kort ook, hem al uitgeput. Zelf voelde hij zich niet veel krachtiger. Toch bleef hij de ene voet voor de andere zetten. Daar zou hij niet mee ophouden voor de dag voorbij was. Om te beginnen zou zijn weg hem voeren naar de voorraadkast van de saloon, daarna naar de wapenkamer van de sheriff. Vervolgens zou hij nog een laatste keer proberen de berg te bedwingen.

***

Niet veel later klom Gideon langs de bundel in elkaar vervlochten elektriciteitskabels omhoog tot de top van de barricade. In zijn linkerhand hield hij een olielantaarn, waarvan de vlam zelfs achter het glas gevaarlijk wapperde. Een kleine plas licht viel op de dode grond onderaan de wand, en onttrok die voor heel even aan de duisternis. Een paar onduidelijke voetafdrukken. Verder geen teken van de duisterstrijders.

Opluchting vulde Gideons borst, zodat hij er bijna duizelig van werd. Hij trok zijn hand onder zijn jas uit, waar in een schouderholster zijn revolver hing: zojuist glimmend gepoetst en geolied, maar met nog slechts één kogel. Waarschijnlijk had hij die straks voor een grotere vijand nodig. Wanneer hij dadelijk duisterstrijders tegenkwam, moest hij die met zijn bijl zien af te weren. Hij liet zich zakken en sprong. Bij zijn landing zwaaide zijn lantaarn en heel even was hij bang dat het vuur uit zou gaan. Toen laaide het weer op en groeide de lichtkring. De aarde was grijs en droog, zonder teken van leven. Alleen maar stof.

Zonder om te kijken liep Gideon weg van de nederzetting. De kabels die uit het noorden naar de nederzetting liepen hield hij aan zijn rechterhand. Hij hoefde niet ver te gaan voor de grond begon te stijgen. De helling was aanvankelijk flauw, bezaaid met kiezels en keien, maar al snel bereikte Gideon een eerste rotsrichel, bijna net zo hoog als hij, als hij op zijn tenen ging staan. Hij keek naar links en naar rechts, maar zijn lamp onthulde nergens een pad. Dus klom hij ertegenop. Gelukkig waren er uitsteeksels en spleten genoeg voor zijn voeten en zijn vrije hand. Boven aangekomen keek hij achterom. De lampen van het dorp waren niet te missen, als een vuur in een open vlakte. Als zelfs een gloeiende sigarettenpeuk ’s nachts van kilometers afstand opviel, waarom dan niet zijn uitvalsbasis? De gele koepel was de enige onderbreking in de zwarte achtergrond. Maar kennelijk waren de lampen niet fel genoeg. Gideon rilde en trok zijn jas samen. Het was niet alleen donker, maar ook koud en zijn adem schiep fragiele wattenproppen in de lucht voor hem. Voorovergebogen, zodat hij in zijn kraag kon ademen, vervolgde hij zijn weg tegen de berg op.

Gideon kwam de eerste duisterstrijders tegen nadat hij even had gepauzeerd, met zijn rug tegen een stuk gesteente, en een reep gedroogd vlees had weg gekauwd. Het gekrabbel van hun lange nagels kwam uit de richting van de nederzetting. Hij slikte en duwde zichzelf overeind. De olielamp liet hij staan, terwijl hij zijn mes pakte als tweede wapen. De beesten wachtten niet. Een kwam van links, hinkend, zijn hoofd scheef op zijn schouders. Twee andere doken uit de andere richting op in de lichtkring, zij aan zij, beide zwaaiend met knuppels. Een vierde volgde hen, zijn handen naar hem uitgestoken. De laatste  kwam over de rots heen en stortte zich van boven op hem.

Die schakelde Gideon als eerste uit. Hij bukte, zodat het wezen op zijn rug landde en schudde hem vervolgens van zich af. Met de hak van zijn laars trapte hij zijn luchtpijp in. Tegelijkertijd wierp hij zijn mes in de borst van de duisterstrijder die het verst bij hem vandaan was, waarna hij om zijn as tolde, met zijn bijl zo ver mogelijk uitgestrekt. Hij voelde twee keer weerstand en toen hij weer stilstond zag hij twee onthoofde lichamen ter aarde zakken. De laatste van de vijf was ondertussen naar hem toe geschuifeld, zijn hoofd heen en weer wiegend alsof hij dronken was. Deze vormde nauwelijks een bedreiging. Gideon hoefde alleen maar uit te halen met zijn bijl.

Het monster was echter helemaal niet op weg naar hem. Het had iets anders op het oog: zijn licht. Voor hij kon reageren, liet het wezen zich vallen, bovenop de lantaarn. Het glas barstte en de vlam doofde. Van het ene op het andere moment bevond Gideon zich in totale duisternis. Zijn reflexen waren zo aangescherpt dat hij zijn bijl liet neerkomen op het achterhoofd van de duisterstrijder nog voor de ernst van zijn situatie tot hem doordrong. Hij kon geen hand voor ogen meer zien. Ja, in de verte brandden de lichten van de vesting nog, warm en verleidelijk. Ze konden echter niet het pad verder omhoog verhelderen. Het zou makkelijk zijn nu terug te keren, rennend om uit de greep te blijven van de rottende wezens, zijn tweelingbroer in zijn bed te vertellen dat hij het echt had geprobeerd. Dat het echter onmogelijk was gebleken. Gideon zette voorzichtig een stap de andere kant op, naar het zuiden. Maar het was geen werkelijke hoop. Nog geen dag en ook daar zou het donker worden. Dan zou hem alsnog hetzelfde lot wachten. Hij kon dus niet anders dan verder klimmen, helemaal alleen in een zee van inkt, terwijl hij zijn handen tastend voor zich uit gestoken hield, hopend dat hij de komst van vijanden op tijd zou horen om zijn wapens te kunnen grijpen.

Voor hij vertrok, moest Gideon nog één ding doen. Hij rolde de dode duisterstrijder van de gebroken lamp af en trok vervolgens zijn jas uit. Die doopte hij in de plas olie, tot een zo groot mogelijk deel ervan doortrokken was. Met het druipende, stinkende kledingstuk onder zijn arm liep hij vervolgens bij het licht van de vesting vandaan.

Al snel begon de grond te stijgen. Hij bevond zich op de juiste weg. Zolang hij tegen de helling op bleef gaan, zou er niets aan de hand zijn. Gideon merkte dat hij sneller begon te ademen, terwijl het dreunen van zijn hartslag in zijn oren al het andere begon te overheersen. Op zijn netvlies verschenen stippen en vlekken, alsof zijn hersenen het volledig zwarte uitzicht weigerden te accepteren. Hij werd er draaierig van. Eén keer, toen zijn pad een stuk steiler was geworden, struikelde hij en moest hij zijn val met zijn handen opvangen. Een scherp stuk steen sneed hem. Pulserende pijn straalde vanuit de palm van zijn linkerhand uit in zijn arm. Een wapen vasthouden werd zo een stuk moeilijker.

Gideon bereikte een nieuwe rotswand, deze keer zo hoog dat hij zelfs met uitgestrekte arm niet de bovenrand kon voelen. Slechts één keer eerder was hij zo ver gekomen. Hij wachtte gespannen. Net toen hij dacht dat hij de dans ditmaal was ontsprongen, dat hem nu geen gevaar wachtte en hij de lucht uit zijn longen kon laten ontsnappen, hoorde hij van opzij een diepe stem. “Dacht je werkelijk dat je de top zou kunnen bereiken?”

De schrik deed Gideon een ogenblik verstijven. Daarna keek hij om zich heen, ook al wist hij dat het zinloos was. De woorden leken uit het niets te komen, alsof het de nacht zelf was die tot hem sprak. “Je hebt het vaker geprobeerd. Waarom zou het je dit keer wel lukken?”

“Dit is mijn laatste kans,” mompelde Gideon door opeengeklemde kaken. “Over een paar uur gaat het licht uit.”

De stem kwam nu van dichterbij, te intiem naar Gideons smaak. “Dat maakt toch geen verschil. Het enige dat je met je tocht bereikt, is dat je eerder zult sterven.”

Hij schudde zijn hoofd, maar hij kon de ander niet buitensluiten. “Je had ook beneden kunnen blijven,” vervolgde de stem, “de voorraadkamer openen. Het er nog een laatste keer van nemen.”

“Je denkt dat ik lijdzaam zou willen wachten op het einde?”

“Waarom niet?” Gideon verstijfde. Het gefluister kwam van vlak bij zijn oor. Iets vertelde hem dat hij zijn hand maar hoefde uit te steken en hij zou iets voelen; een lichaam, een aanwezigheid. “Dat is immers wat je tot nu toe steeds hebt gedaan. Je had al veel eerder de berg kunnen beklimmen, de bakens ontsteken, maar je bent nooit verder gekomen dan hier. Je kunt ook niet verder.”

“Ik heb geen tijd voor dit gesprek,” gromde Gideon. Hij tastte met zijn vrije hand over de rotswand. Er waren richels, breuken, in elk geval de eerste meters.

“Je weet niet hoe het hoger is,” vervolgde de stem. “Wat als het daar glad is? Wat als de rots boven je gaat overhellen? Wat als je valt? Wat als je je nek breekt?”

Gideon slikte. “Dat is in elk geval een sneller einde dan verscheurd te worden door de duisterstrijders.”

“Je weet niet dat die je zullen doden! Misschien komen ze alleen op het licht af! Misschien laten ze je wel met rust als eenmaal de elektriciteit is afgesneden!”

Gideon schudde van nee. “Ze haten me omdat ik leef.”

“Maar mij laten ze ook mijn gang gaan,” wierp de ander tegen.

“Daar is dan maar één verklaring voor.” In één vloeiende beweging trok Gideon zijn revolver uit zijn schouderholster, stak de loop de kant uit van waar hij de stem het laatst gehoord had en haalde de trekker over. Een oorverdovende knal. En een vonk. Een kleine flits, maar in de absolute donkerte volstond die. Het gezicht van de ander stond als in negatief op Gideons netvlies afgetekend. De ogen verzonken in diepe holtes, een gat waar de neus zich had moeten bevinden, het bot van de schedel zichtbaar door gaten in de grauwe huid. Maar hij herkende de uitstekende jukbeenderen, het nog overgebleven krullende bruine haar. Deze man leek net zo veel op hem als degene in het bed, alsof ze allemaal familie van elkaar waren. Er klonk gekrabbel van vingers op stof, een kreunend geluid en vervolgens de dreun van een neerstortend lichaam.

Gideon liet zijn wapen vallen. Hij had nu geen kogels meer. Vervolgens sloeg hij zijn natte jas over zijn schouder en begon aan de beklimming.

***

Het leek uren te duren voor Gideon weer vlakkere grond bereikte. Tegen die tijd waren zijn spieren verkrampt en leek zijn rug te branden. Voor elke beweging had hij moeten tasten naar een handgreep, hij had moeten voelen voor een plek om zijn voet neer te zetten. Lange seconden had hij aan zijn vingertoppen gehangen en elke keer als hij dacht dat hij was aangekomen, bleek hij toch nog verder te moeten klimmen. Het was het zwaarste dat hij ooit had gepresteerd en nu hij boven was, bleef hij uitgeput liggen, hijgend, zijn gezicht in het stof. Hij wist niet of hij ooit nog de kracht zou vinden weer overeind te komen.

Uiteindelijk nam de pijn af. Voorzichtig richtte Gideon zich op. Hij rekte zich uit en hoorde zijn gewrichten kraken. Nog even, dan was zijn tocht voorbij. Hij begon te lopen, zijn handen voor zich uit. Kennelijk ging hij de goede kant op, want hij stortte niet in het ravijn. De kabels die hij aanvankelijk had gevolgd was hij al een tijd geleden kwijtgeraakt, maar hij had aan de helling genoeg om zijn weg te vinden. Het enige wat hij nu hoefde te doen was de ene voet voor de andere te zetten, en zo maar door tot hij de top had bereikt.

Vleugelgefladder. De stem van een boodschapper kwam van recht boven hem. “Het woord heeft geklonken. De beloofde tijd is verstreken, zonder een teken van leven. Deze morgen zal daarom de stroomtoevoer worden afgesloten. Het is voor iedereen beter zo.”

“Niet voor mij!” brulde Gideon, maar zijn woorden vervlogen in de donkerte. Hij begon te rennen. Tweemaal, driemaal struikelde hij, maar elke keer kwam hij overeind. Hij klauterde over rotsblokken, viel bijna in een kloof en trok zich uiteindelijk een laatste richel op. Hij kon niet verder omhoog. Een koude wind rukte aan zijn hemd en hij voelde zich duizelig. De top, hij had dus toch de top bereikt. Eindelijk. Nu alleen de bakens nog. Hij liet zijn jas voor zich op de grond vallen. Uit zijn borstzakje haalde hij een lucifer. Hij streek de kop af tegen het rubber van zijn schoenzool en een klein vlammetje lichtte op. Hij bracht het vuur naar beneden, naar de met olie doordrenkte stof. Een blauw schijnsel breidde zich erover uit, gele vingers grepen naar meer.

In de groeiende lichtkring zag Gideon de twee ronde gaten in de grond. Poelen gevuld met een zwarte vloeistof, die zelfs niet rimpelde. Hij wist wat hij moest doen. Zonder zich iets van de hitte aan te trekken, stak hij zijn bijl onder zijn jas en tilde het brandende kledingstuk op. Hij bracht het naar het baken het dichtst bij hem en raakte het donkere oppervlak aan. Direct sprongen de vlammen over. Zonder af te wachten of het vuur wel bleef branden rende hij naar het tweede gat. Hij wierp de jas in de vloeistof. Een razend geluid weerklonk. Een kolom brandende gassen schoot als een vuist de hemel in. Gideon werd van de grond getild en naar achteren weggeworpen. Zijn hoofd raakte de rotsachtige bodem en even zag hij niks dan knipperende lichten.

Toen zijn blik helder werd, dacht hij een ogenblik dat hij dubbel zag. Twee oprijzende torens van vuur, loeiend en brullend, duizendmaal feller dan de gloeilampen van zijn vesting. Het waren de bakens. En hun licht leek alleen nog maar te groeien. Overal om hem heen trok de duisternis zich terug. Het schijnsel werd zo fel dat Gideon ervan terugdeinsde en zijn arm voor zijn ogen moest slaan.

Toen hoorde hij de stemmen. “Kijk, hij heeft zijn ogen geopend.”

“Wat? Dat zou onmogelijk moeten zijn.”

“Ik heb het gecontroleerd. Zijn pupilreflex is zelfs intact, ik heb het zojuist getest.”

“Dan is hij niet zover heen als we dachten. Dan is er toch nog een kans dat hij wakker wordt.”

“Dat maakt natuurlijk alles anders. We moeten een nieuw behandelplan opstellen.”

“Ik zal de familie ervan op de hoogte brengen.”

En Gideon glimlachte. Het licht zou vanaf nu altijd blijven schijnen.

————————

Johan Klein Haneveld Modern MythsJohan Klein Haneveld schreef tot nu toe elf boeken, zoals de bundels Conquistador en Het Teken in de Lucht, en de fantasyromans De Krakenvorst, boek 1: Keruga en boek 2: Kartaalmon. De Afvallige Ster kwam uit in december 2018. Zijn korte verhalen verschenen onder andere op Modern Myths, in de tijdschriften Fantastische Vertellingen en SF Terra en in de bundels Ganymedes 17, Wereldbedenkers en Tenenkrommende Verhalen. In 2019 worden drie boeken van hem uitgebracht: de ziltpunknovelle Plastic Vriend, het vijfde deel van de Castlefest Kronieken: De gevonden wereld en de SF-roman IJsbrekers. Lees ook zijn essays op Fantasy Schrijven.

Meer verhalen? Kijk in onze rubriek Moderne Mythes: Verhalen!

© 2019-2024 Modern Myths

Redactie Modern Myths

Modern Myths brengt alles wat fantastisch is bij elkaar in één online magazine en is voor iedereen die houdt van fantasy, sciencefiction, horror en alles wat daarbij hoort. Van boeken, films, televisieseries en games tot (video)reportages van de leukste fantasy fairs en -evenementen, op Modern Myths vind je elke dag een nieuw verhaal. Leer de herkomst van al deze fantastische verhalen in achtergronden en spraakmakende interviews met (internationale) schrijvers, acteurs, muzikanten en anderen die hun leven aan het genre wijden. Gebruik onze agenda met fantasy-gerelateerde evenementen. Lees in de rubriek ‘Moderne Mythes’ nieuwe verhalen van schrijvers die hun vertelling (voor)publiceren. Met het ‘Modern Myths Nieuws’ blijf je van het laatste nieuws op de hoogte!

Official Superhero Merchandise

Reactie plaatsen

Door het plaatsen van je reactie worden persoonsgevens werwerkt zoals omschreven in onze privacyverklaring.