De wil van Faerund

De wil van Faerund – Mike Jansen Moderne Mythes: verhalen

De wil van Faerund

Mike Jansen

“Kom op, dief, er liggen schatten verderop,” zei Bora de Mangelaarster. Ze stuurde haar grote hengst het pad naar boven op. Haar wapenrusting glom nat in de laatste zonnestraaltjes.

Ik bromde maar instemmend, wat ik anders niet zou durven. Ik denk dat het de ijzige kou was, gekoppeld aan de naargeestige bomen en de schaduwen die zelfs overdag door de struiken leken te bewegen. Daar word je wat korzelig van.
“Kunnen we niet beter een plek voor de nacht zoeken? Ik vertrouw het hier niet zo.” Mijn pony volgde gehoorzaam de hengst. Bora snoof waardoor de klep van haar helm even opwipte. “Jij denkt ook alleen maar aan je buik en je warme voeten. Waarom ben je ooit avonturier geworden?”

Ik zweeg. Bora hoefde niet te weten dat ik ooit tempeldienaar was geweest. Ik was verbannen, omdat ik uit de voorraadkasten van de patriarch had gesnoept. Een harde straf, ik had immers enkel honger en de god Gralissuk stond bekend om zijn rijke maaltijden. Weliswaar van maagdelijke jongeren: gegrild, gestoofd of gebakken. Dat was hem om het even. En misschien had ik hier en daar een zilveren kandelaar achterover gedrukt. En de vrouw van de patriarch begluurd in bad. Nou ja, ook wel meer dan begluurd. Haar echtgenoot was immers al oud en zij was mijn leeftijd, dus van het een kwam het ander.
Toch, verbanning was een harde straf voor wat kazen, brood en gedroogde hammen. Ik was gelukkig net op tijd weg voor ze de ontbrekende munten uit de maandelijkse bijdragen van de omliggende dorpen en steden ontdekten en achter die andere kleinigheidjes kwamen. Nu was het beter in beweging te blijven, al was het maar om mijn eigen paranoia te bedaren.

“Je bent weer zwijgzaam, Vardegast. Niet teveel nadenken, dat is ongezond voor je.” Bora lachte om haar eigen grap. Ze wees naar mijn aanzienlijke, hoewel danig geslonken buik. “Dat krijg je van te veel nadenken.”
“Vandaar dat jij zo dun als een rietje bent, Bora.”
Bora lachte. “Inderdaad, dief, zo is het maar net.”

Ik zuchtte. Er was ook geen lol aan. Bora’s intellect was van het niveau: ‘Wat zei de ene jonkvrouw tegen de andere? Niets, want jonkvrouwen moeten hun kop houden.’ Dijenkletsers. De hele dag door. Bora kende ze allemaal.

***

Achteraf gezien had ik haar maanden geleden de weg niet moeten wijzen. Ik was op weg naar de Academia aan de Allurische kust waar ik studenten in de hermetische wijsheden van de god Gralissuk zou onderwijzen. Ik geef toe dat de tweesprong verwarrend is, maar het grote bord met ‘Gevaar, afgrijselijke demoon’ kon toch niemand ontgaan. Bora wel.
“Weet u zeker dat u die kant op wil?” riep ik haar na, zodra ik haar hengst de weg naar beneden zag inslaan.
“Huh, wat moet je?”

Intelligent. Toen had ik moeten zwijgen. Maar ik deed het niet en legde uit dat het bord waarschuwde voor een gevaarlijk monster. Uit pure dankbaarheid bood ze aan me te begeleiden op mijn reis. Ergens werden de rollen omgedraaid en werd ik gedegradeerd tot haar diefje. Ik had haar woede gezien en me voorgenomen die nooit te wekken, tenzij er andere doelwitten in de buurt waren.

Dus reisde ik met haar mee, naar steden en streken die volgens haar schatten en rijkdommen bevatten. Zoals het eenzame, verlaten kasteel van wijlen koning Faerund de Dodenspreker dat al honderden jaren verborgen lag in de bergen tussen Latakina en de Allurische kust. Volgens de legenden herbergde het duizelingwekkende schatten, bewaakt door een leger skeletten. Bora moest en zou het vinden. Na veel omzwervingen vonden we eindelijk de beschrijvingen die ons ernaartoe leidden.

***

De weg die we naar boven volgden, kwam uit op een plateau dat bezaaid was met verdorde bomen waarvan de droge bladeren ritselden in de wind, afgewisseld met het irritante tikken van koude druppels die van de takken op harde ondergrond vielen. Op een open plek vonden we het kaalgeknaagde skelet van een hert. Voor we zelfs maar konden afstijgen om te zien wat dit veroorzaakt had, bewoog een diepere schaduw zich en verschenen er twee lichtende ogen in het halfdonker aan de rand van de open plek. Een indringend grommen bereikte ons.

Bora had haar zwaard al uit de schede en ikzelf greep mijn ponjaard stevig vast toen een immense zwarte wolf op ons afsprong en probeerde Bora te grijpen. Met een gepantserde vuist sloeg ze het beest tegen de grond. Bliksemsnel sprong het terug en sloot machtige kaken om haar onderarm. Ik hoopte maar dat het kraken haar pantser was en niet haar botten.

Nu kwam haar zwaard omhoog. Het landde met een misselijkmakende klap op het lijf van de wolf die er alleen maar kwader van leek te worden. Weer kwam het zwaard neer. Bora leek moeite te hebben in het zadel te blijven zitten. Ze sloeg de pommel hard tussen de ogen van het beest die zich liet vallen en een paar keer met zijn massieve kop schudde. Bora stuurde haar paard iets naar achteren. Ikzelf hield mijn pony op respectabele afstand, klaar om te vluchten mocht de wolf zich naar mij keren.
Ik kon mijn ogen bijna niet geloven toen ik de wolf zag groeien en op zijn achterpoten zag gaan staan. Zijn voorpoten veranderden in immense armen met vervaarlijke klauwen. Ik vloekte zachtjes en pakte mijn zadeltas. We zouden hier meer nodig hebben dan alleen een zwaard.

Bora greep haar schild stevig vast en spoorde haar paard aan. De wolfman sprong naar voren en zwaard en klauw ontmoetten elkaar in een regen van vonken. Ik haalde mijn reservezakken lampolie tevoorschijn en een teertoorts die ik met een enkele vonk uit mijn tondeldoos aan het branden kreeg. Terwijl Bora en de wolfman met elkaar probeerden uit te maken wie het sterkst was, spoorde ik de pony aan hard langs het tweetal te draven. Mijn eerste oliezak spatte op de borst van het beest uit elkaar, de tweede landde op zijn rug. Hij negeerde het en bleef uithalen naar Bora. Ik keerde de pony en dit keer smeet ik in het voorbijgaan de toorts op de rug van de wolfman. Het geluid van de ontbrandende olie en het daaropvolgende gehuil was muziek voor mijn oren. Bora zag haar kans en liet mokerslagen op het hoofd van de wolfman neerkomen. Gek van de pijn en gedesoriënteerd door de klappen snelde de wolf er uiteindelijk vandoor.

We staarden elkaar aan, Bora en ik. “Dat was een waardig tegenstander,” zei Bora.
“Dat was een abominatie,” zei ik. “Mijn gevoel zegt dat we terug moeten keren. Het is hier niet veilig.”
Bora lachte. “We hebben net het gevaarlijkste wezen uit deze streek verjaagd. Die komt niet zomaar terug.”
Ik schudde mijn hoofd. Het had geen zin met haar te discussiëren. “Ik hoop maar dat je gelijk hebt.”

***

We trokken die dag nog door drie kleine dorpen. Vanuit elk van de dorpen was in de verte een indrukwekkend kasteel op een eenzame piek zichtbaar. De huizen van de dorpen waren vervallen. Er woonden geen mensen en de straatjes en pleinen lagen bezaaid met menselijke botten of zelfs hele skeletten. “Ik vraag me af wat, of wie, ze gedood heeft,” zei ik.
Bora wees met de punt van haar zwaard verschillende stukjes zwarte stof aan die aan deurposten genageld waren. “De zwarte dood. Honderd jaar geleden, waarschijnlijk meer.”
“Het verklaart in ieder geval waarom deze contreien lang niet meer bezocht zijn en waarom het contact destijds zomaar is verbroken.”
Bora keek om zich heen. “Als we snel zijn, kunnen we voor zonsondergang bij het kasteel zijn.”
Ik huiverde onwillekeurig en blies een wolkje stoom uit. “Ik hoop dat er een haard is met brandhout. Het is me te koud hier.”

Inderdaad betraden we de voet van de berg vlak voor de zon achter de hoge pieken wegdook. De weg was geplaveid, maar de keien lagen schots en scheef na zoveel jaren verwaarlozing. Bora en ik namen onze rijdieren aan de hand en leidden ze voorzichtig langs het slingerende pad omhoog. Het kasteel zelf doemde bij elke bocht weer groter op. Het gebouw was oud en vervallen, delen stonden op instorten en de vloeren waren waarschijnlijk verrot. Toch was het een formidabel fort dat op een strategische plek was gebouwd.

“Het schijnt dat er oude tombes onder deze pieken liggen,” zei ik tegen Bora. “De schatten die daaruit geplunderd zijn, hebben dit kasteel deels bekostigd. Volgens de legenden dan.”
“Ik heb die drang je te verbergen achter hoge muren nooit begrepen,” zei Bora terwijl ze haar hoofd schudde. “Hoe kun je anders je superioriteit op het slagveld bewijzen?”
“Ik denk dat het de bedoeling was binnenvallende vijanden het leven zo moeilijk mogelijk te maken. Zolang er een legermacht in dit fort zit, zijn deze landen niet van jou.” Bora haalde haar schouders op.

In stilte leidden we de paarden over de dikke balken van de ophaalbrug. Het hout was van buiten vermolmd, maar zo dik dat de kern onaangetast was. De binnenplaats was groot genoeg om een paar flinke pelotons soldaten te laten oefenen. Drie verroeste ijzeren kooien met daarin menselijke skeletten zwaaiden zacht piepend aan kettingen die in de steen waren verankerd.
“Ik weet niet of ik hier de nacht wil doorbrengen,” zei ik. Mijn stem was niet meer dan een hees gefluister.
“Onzin,” kletterde Bora. Ze leek totaal niet onder de indruk van de naargeestige plek. “Het is wel fris. Ik stel voor dat we een vuur maken, eten en dan vroeg slapen. Morgen hebben we een hoop zoekwerk voor de boeg.”

Onze paarden bonden we vast bij de ingang. De arme dieren waren nerveus en ze weigerden verder het kasteel in te gaan. We lieten ze achter met een paar handen graan en een emmer water uit de snelstromende slotgracht. Lang geleden was het kasteel van Faerund hals over kop verlaten. Overal lagen restanten van de bezigheden van de toenmalige bewoners, hier een tinnen bord, daar een stenen vijzel, een handjevol pijlpunten en wat houtstof. Flarden van bemoste wandtapijten hingen als droevige wingerds van de vochtige muren. Het was een verwarrende wirwar van gangetjes en kamertjes op meerdere verdiepingen, alsof er voortdurend nieuwe stukken aan het oude kasteel waren gebouwd. De doodse sfeer hing als een loden last op mijn schouders.

In een van de weinige kamers die nog een deur had, een loodzwaar ijzerhouten geval, vonden we een open haard die we vulden met houtresten, droog en vochtig, en vervolgens aanstaken. De vrolijk flakkerende vlammen verdreven de klamme lucht en verbeterden mijn gemoed direct. Een hartig maal van bonen met vlees zorgde ervoor dat ik me bijna behaaglijk begon te voelen.

***

Een van mijn grootste ergernissen op onze reizen was het gesnurk van Bora. Ze beweerde altijd dat ze van het minste geluidje wakker werd, maar ik wist wel beter. Wilde beesten bleven gewoon op afstand wanneer ze haar gezaag hoorden. Na ons maal rookte ze haar gebruikelijke pijp, waarna ze zich omdraaide, haar deken om zich heen trok en haar hoofd op haar plunjezak legde. “Truste, Vardegast!” Nog geen tien tellen later begon ze.

Eerst maskeerde haar ronken alles, maar langzaam begon ik andere geluiden waar te nemen. Fluisteren aan de rand van mijn gehoor, alsof iemand iets probeerde te zeggen, maar ik kon de woorden niet herkennen. Gerinkel van kettingen, soms ver weg, dan weer heel dichtbij, alsof er iemand net buiten de gebarricadeerde deur stond. Het ergst waren de trippelende pootjes die vlak bij mijn hoofd voorbij leken te lopen met een zacht klakklak van scherpe klauwen. Het licht van het vuur wierp griezelige, dansende schaduwen op de muren, maar ik weigerde het vuur af te schermen of te doven en ik probeerde zo dicht mogelijk bij de hete vlammen te kruipen zonder mezelf te branden. Hoorde ik daar het piepen van scharnieren? Ik keek naar de ijzerhouten deur en de schrik sloeg me om het hart. De barricade was opzijgeschoven en de deur stond op een kier. Een bleke, skeletachtige hand was zichtbaar op de zijkant van de deur die langzaam verder opende.

Wanhopig schopte ik tegen Bora’s schenen, maar de barbaarse vrouw draaide zich enkel om en mompelde: “Jij snurkt ook hoor.” Ik voelde mijn hart tekeergaan en mijn ademhaling kwam in horten en stoten. Het werd licht in mijn hoofd en daarna herinnerde ik me niets meer.

***

Midden in de nacht schrok ik wakker. Het vuur was vrijwel gedoofd en door de smalle sleuven in de muur kwam enkel maan- en sterrenlicht naar binnen. Het sonore snurken van Bora was nog steeds indringend aanwezig. Ik stond op en kromp ineen door een felle pijnsteek in mijn borst. Ik keek naar de lucht. De bergtoppen om ons heen kleurden roze ten teken dat de dageraad over een uur zijn intrede zou doen.

In mijn hoofd vormde zich een beeld, alsof ik me een kwade droom van de afgelopen nacht herinnerde. Ik zag een diepe kelder, hier in het kasteel van koning Faerund, ver beneden ons, waar kisten goud, zilver en edelstenen voor het oprapen lagen. Ik fluisterde zachtjes: “Ik weet waar de schatten liggen.”
“Huh, schatten? Waar?” zei Bora. Ze was ineens klaarwakker, rekte haar indrukwekkende spieren uit en sprong overeind. Ze sloeg me hard op mijn schouders. “Zie je wel dat je af en toe nut hebt, dief?” Ze verzamelde onze spullen en wierp even later mijn rugtas naar me toe en gooide haar eigen plunjezak over haar linkerschouder. “Dit leggen we bij de paarden, daarna wijs jij de weg in dit doolhof.”
“Volgens mij was het maar een droom, Bora,” zei ik zwakjes. “Of eigenlijk meer een nachtmerrie.”
“Onzin, Vardegast. Ik ken je. Jij droomt niet zomaar.” Ze keek me indringend aan met haar groene ogen.

Zodra we bij de paarden waren geweest, duwde ze me voor zich uit terug het kasteel in. De gangen waren vandaag een stuk vertrouwder, alsof ik hier eerder gelopen had. Ik liep wenteltrappen af, vond mijn weg door dichte stoflagen in nauwe gangen tot we in een diepe kelder bij een blinde muur in een voorraadkamer uitkwamen. Bora zette haar toorts in een houder aan de muur. “Hier is het?”
“Ik denk het,” zei ik. “Die uitstekende steen daar, die moeten we indrukken. Ik heb wel het idee dat er gevaar dreigt.”
Bora zette haar helm op en hield haar schild goed vast terwijl ze de punt van haar zwaard tegen de steen zette en begon te duwen. De steen bewoog en de muur, bijna dertig voeten breed, draaide zachtjes om een onzichtbaar, centraal scharnier. Waar ik bang voor was, gebeurde ook. Een stroom ondoden in verschillende stadia van ontbinding kwam door het rechtergat zetten. Bora lachte duivels en begon het zware werk van het in stukken hakken van de lichamen die, hoewel langzaam en niet zwaar bewapend, een dodelijke hardnekkigheid vertoonden.

Terwijl ze haar werk deed, keek ik nieuwsgierig en beducht naar de andere kant van de gedraaide muur. Ik sloop naar binnen tot ik bij het einde van de deur kwam. Daar was nu niemand meer. Ik keek om de muur heen tegen de ruggen van de ondoden. Stilletjes schuifelde ik de gangen achter deze kamer in. Blauwe korstmossen aan de plafonds en op de grond verspreidden een ziekelijk, bleek licht. Kistjes en vaten stonden hier langs de muren, opgestapeld tot aan het plafond. Voorzichtig trok ik een van de kistjes van de stapel. Het was zo zwaar dat ik het bijna liet vallen. Met mijn ponjaard wrikte ik het slot los en zodra het deksel open was, blonken goud, zilver en edelstenen me tegemoet. Ik wikkelde het kistje in mijn mantel en zo stil als ik gekomen was, vertrok ik ook weer langs de horde ondoden.

Aan de andere kant zette ik het kistje op de grond. Bora was nog steeds met veel schik bezig de wandelende lijken aan stukjes te hakken. “Ik heb het goud,” riep ik naar haar.
Ze wierp een snelle blik opzij. “Ik ben nog even bezig.”
“Duw ze terug en gooi de muur dicht!”
“Op drie! Een, twee…” Met vereende krachten duwden we ondoden en muur achteruit tot wij in de kelder stonden en de wandelende lijken aan de andere kant waren. Met een klik sprong de openingssteen weer terug.
“Laat zien,” zei Bora. Ik trok mijn mantel van het kistje en opende het deksel. Bora floot zachtjes en hield een vuistgrote stersaffier omhoog. “Zie je nou wel dat ik gelijk had? Het stikt hier van de schatten.”
Ik knikte. “Dit is maar één kistje. Er staan er honderden in de gangen daarachter.”
“Dan moeten we terugkomen met versterking,” zei Bora.
“Dat zal de oude koning Faerund plezieren,” zei ik.
“Hah,” snoof Bora. “Die dooie heeft niets meer aan zijn schatten. Wij des te meer.”
“Je hebt helemaal gelijk, Bora,” zei ik met een glimlach.

Bora schaterde en sloeg me hard op mijn rug. “Ik wist wel dat er een avonturier in je school, Vardegast. Ook al moet ik toegeven dat je me af en toe, nou ja vaak, liet twijfelen.” Ik grijnsde alleen maar.

***

Bij het vallen van de avond verlieten we het vervloekte plateau waar het kasteel van Faerund stond. Bora bouwde een groot vreugdevuur en braadde daarin stukken van een vers geslacht everzwijn. Voor de gelegenheid opende ze ook haar zorgvuldig bewaarde fles brandewijn. “Op Faerund,” riep ze en sloeg haar beker tegen de mijne.
“Op Faerund, dat hij groot en machtig moge worden.” Ik nam een slok van mijn brandewijn. Toen ik de beker van mijn lippen haalde, zag ik Bora naar me kijken met haar felle groene ogen.
“Wat zei je daar?”

Ik knipperde met mijn ogen. Had ik iets verkeerd gezegd? “Dat we groots en machtig mogen worden?”
Bora ontspande iets. “Ik dacht dat ik je iets anders hoorde zeggen. Misschien verbeeldde ik het me.” We aten zwijn en dronken brandewijn. Daarna wikkelde Bora zich in haar deken, draaide zich om en begon weer hard te snurken.

Ik staarde in het vuur en terwijl mijn ogen langzaam dichtzakten, kwamen de beelden van de vorige nacht in me op. De ijzerhouten deur die opende. De gekroonde schedel met de lichtjes in de holle ogen die op de duisternis leek te drijven. Ik zat als verlamd terwijl het in de flarden van Koninklijke gewaden gehulde skelet me naderde. Een scherpe wijsvinger trok mijn tuniek opzij. De andere skelethand duwde een waterig juweel dat een eigen licht verspreidde tegen mijn borstbeen. Gruwelijke pijn schoot door me heen, leek een eeuwigheid te duren, maar ik was machteloos. De stem was koud als het graf. “Breng me een leger, dief. Beloof ze wat je wilt, maar breng ze hier. Het is tijd dat de naam Faerund weer door iedereen gevreesd wordt.”

Ik knipperde met mijn ogen en was weer terug bij ons kampvuur. Ik trok mijn tuniek open en staarde naar het waterige juweel dat pulseerde met een eigen, blauwig licht dat leek op het licht van de korstmossen in de kelders van het kasteel. Een scherpe steek trok door me heen en het juweel vlamde licht op. Een teken van de Dodenspreker dat mijn taak nog lang niet volbracht was.

Ik probeerde te slapen.

Het wilde niet lukken.

Dit keer lag het niet aan Bora’s gesnurk.

 

Mike JansenIn 1991 publiceerde Mike Jansen zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij drie Nederlandse romans, twee bundels korte verhalen (en daarnaast nog een in samenwerking met Michael Blommaert), een roman en een bundel in het Engels uitgegeven. Mike schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan honderd korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel en voor JWKfiction in de USA.

Ben je geïnteresseerd in het werk van Mike Jansen, kijk dan op www.meznir.info

Meer verhalen? Kijk in onze rubriek Moderne Mythes: Verhalen!

© 2019-2024 Modern Myths

Redactie Modern Myths

Modern Myths brengt alles wat fantastisch is bij elkaar in één online magazine en is voor iedereen die houdt van fantasy, sciencefiction, horror en alles wat daarbij hoort. Van boeken, films, televisieseries en games tot (video)reportages van de leukste fantasy fairs en -evenementen, op Modern Myths vind je elke dag een nieuw verhaal. Leer de herkomst van al deze fantastische verhalen in achtergronden en spraakmakende interviews met (internationale) schrijvers, acteurs, muzikanten en anderen die hun leven aan het genre wijden. Gebruik onze agenda met fantasy-gerelateerde evenementen. Lees in de rubriek ‘Moderne Mythes’ nieuwe verhalen van schrijvers die hun vertelling (voor)publiceren. Met het ‘Modern Myths Nieuws’ blijf je van het laatste nieuws op de hoogte!

Official Superhero Merchandise

Reactie plaatsen

Door het plaatsen van je reactie worden persoonsgevens werwerkt zoals omschreven in onze privacyverklaring.